Corona

Ik loop door het centrum van de stad. Het is rustig, ongewoon rustig voor een zaterdagmiddag. Normaal gesproken lopen hier de mensen kris kras door elkaar heen. Vaak volledig in zichzelf gekeerd op zoek naar de boodschappen voor het weekend. Sinds het uitbreken van de corona-crisis is alles anders. Na de eerste plunderingen onder de noemer ‘hamsteren’, is het stil geworden op straat. De meeste winkels zijn gesloten, terwijl de paar winkels die nog geopend zijn de weg naar de ingang hebben geplaveid met linten, strepen en stippen. Overal staat aangegeven minimaal anderhalve meter afstand te houden.

Veiligheid

In een poging om elkaar krampachtig te ontwijken, blijven voor mij twee mensen op een meter of vier plotseling stilstaan. De ene persoon wil naar rechts, terwijl de andere persoon dezelfde kant op beweegt. Ze kijken elkaar aan en lachen, maar niet van harte. De ene persoon maakt een armgebaar. Dat is voor de ander het signaal om met een grote boog om hem heen te lopen. Ik zie een oudere dame met een rollator zig-zaggend door de straat schuifelen. Het geheel maakt een surrealistisch indruk. Alsof ik op een filmset loop. ‘Dit is niet echt’, denk ik bij mijzelf.
In een paar dagen tijd zijn ingesleten patronen verdwenen. Gewoontes waar je jarenlang aan gewend bent geraakt en je zekerheid geven mogen of kunnen niet meer. Met het verdwijnen van deze zekerheden, is ook het gevoel van veiligheid verdwenen. Een gevoel dat voor iedereen zo normaal is, dat je er eigenlijk nooit bij stil staat. De drukte van de stad zorgt juist voor gezelligheid en trekt mensen. Mensen die samenkomen op terrassen en pleinen en in straten als winkelend publiek. Nu is iemand die je op afstand tegemoet komt al iets waar je over na moet denken. Hoe kan ik deze persoon op een veilige afstand passeren?

Winkelen

Ik had nooit gedacht dat de omgeving die ik zo goed ken als onveilig zou aanvoelen. Ik realiseer mij dat een onveilige omgeving mij onzeker maakt. Het doet er eigenlijk niet toe of de omgeving ook daadwerkelijk onveilig is, maar ik ben op mijn hoede. Met deze gedachten loop in de supermarkt in. Ook hier staan strepen op de grond. Een jong meisje houdt als een politieagent haar hand omhoog en zegt tegen mij dat ik een karretje moet meenemen.
‘Maar ik hoef alleen maar een pakje boter te hebben’, zeg ik tegen haar.
‘Wilt u toch een karretje meenemen?’, zegt ze.
Ik kijk naar links. Daar staat een collega van haar met een spuitbus met een desinfecterend middel alle handvatten van de winkelkarretjes schoon te maken.
‘Deze zijn schoon’, en de jongeman wijst naar een rij met een tiental karretjes.
De hele situatie vergroot mijn gevoel van onveiligheid. Kan ik nog wel boodschappen doen, zonder dat ik gevaar loop om besmet te worden door het corona-virus? Ik knik naar de jongeman die mij de karretjes wijst, neem er één mee en loop de winkel in.
Omdat ik hier vaak kom ken ik de winkel goed. Ik loop direct naar het schap waar ik de boter kan vinden en doe één pakje in mijn karretje. In de smalle gang wil iemand met een ander karretje mij passeren en tegelijkertijd anderhalve meter afstand houden. Bijna een onmogelijk opgave. De persoon loopt achteruit en wacht bij de ingang van het gangpad, zodat ik op veilige afstand kan passeren. Allebei zeggen we niets.
Bij het afrekenen let ik op de lijnen die op de grond zijn geplakt. Hierdoor houd ik voldoende afstand tot mijn voorganger evenals degene die achter mij staat voldoende afstand houdt tot mij. Ondanks de rij van een viertal personen is het stil bij de kassa. Niemand zegt er iets. Iedereen doet plichtmatig wat hij of zij moet doen. Klanten kijken in zichzelf gekeerd in het rond op zoek naar iets bekends dat ze houvast en zekerheid geeft. Ze willen het gevoel van veiligheid terug.
Het kleine bedrag dat ik moet afrekenen kan ik alleen maar pinnen. Boven op het pinapparaat is een sticker geplakt: ‘betaal contactloos als het kan i.v.m. het corona-virus’. Als ik heb afgerekend en het pakje boter bij mij heb gestoken, lever ik het winkelkarretje in bij de jongeman met zijn spuitbus. Zonder iets te zeggen begint hij direct mijn karretje te ontsmetten. Langzaam begin ik mij wat zorgen te maken. Ik merk dat naast het gevoel van veiligheid ook het vertrouwen in alledaagse dingen wegebt.

Vertrouwen

Buiten gekomen pak ik mijn mobiele telefoon en klik de headlines van nu.nl aan. Het eerste bericht dat ik tegenkom heeft als titel ‘politie grijpt in op corona-party’. Ik lees dat een groep van zo’n twintig jongeren gisterenavond is bekeurd omdat zij in één ruimte een feest hebben gegeven. Omwonenden vertrouwden het niet en hebben vervolgens de politie gebeld. Tevens lees ik dat verschillende overheden van verschillende landen verschillende maatregelen nemen om het corona-virus te bestrijden. De maatregelen variëren van een totale lock-down tot een oproep van een aantal regeringsleiders om vooral het gewone leven op te pakken. De commentaren op alle berichten zijn vrijwel hetzelfde. Ook daarin varieert de mening van ‘vooral thuis blijven’, tot ‘Ik vind dat het allemaal zwaar overdreven is. Ik ben gezond en corona is maar gewoon een griepje.’

Verantwoordelijkheid

Verward ga ik richting het kruispunt en realiseer mij dat niet alleen de veilige omgeving is weggevallen, maar ook het vertrouwen. Wat en wie kan ik nog vertrouwen?
Het is rustig op het normaal gesproken altijd drukke kruispunt. Het voetgangerslicht staat op rood. Ik druk op het knopje en vraag mij direct af of deze ingesleten gewoonte op dit moment wel vertrouwd is. Het knopje is niet gedesinfecteerd door een jongeman zoals de winkelkarretjes bij de supermarkt. Als ik thuis mijn pakje boter in de koelkast leg komt mijn vrouw de keuken in.
‘Was je wel je handen? Je hebt zoveel dingen aangeraakt.’
Ik kijk haar aan, zeg niets en was mijn handen. Dit zal vast een nieuwe gewoonte worden die mij in de toekomst weer een gevoel van veiligheid geeft.
De behoefte aan veiligheid en vertrouwen is door het ontbreken ervan groter dan ooit.
Hoe creëren we weer een veilige omgeving?
Hoe zorgen we voor vertrouwen?
En wie durft dan verantwoordelijkheid te nemen?